Rolf Jacobsen

Het gedicht Hout van  Noorse schrijver Rolf Jacobsen (1907 – 1994) is te vinden in Raster 59. Vertaald door Amy van Marken. Het gedicht, in het Noors getiteld Tømmer staat in de bundel  Hemmelig liv (geheim leven) uit 1954.

HOUT

Het is goed dat er in de wereld nog hout is
en dat er nog
stapelplaatsen genoeg zijn.
Want in hout is een grote rust
en een sterk licht,
dat ‘s zomers ver
de avond in schijnt.

Er is goede troost in de rook van afgebrand bos
en in hars dat in grote druppels naar buiten dringt
diep in het bos.
De lucht van hout heeft iets van zoete klaproos en van graan.

Het is goed dat er langs de Ångermanälv
en Deep Kreek in Colombia, overal ter wereld
nog genoeg hout oplicht
als een zonbeschenen vlek,
een slapende kracht hier op aarde, een geheime macht
die generaties lang voortleeft, bijna als ijzer.

Het heeft de kleur van brood en van een vrouwenlijf
en bezit de stralende wil die misschien ontspruit aan
de grote liefde.

Want het hout is een deel van de grote wereldlente.
Het komt uit de bron die de vernieler nog niet heeft bereikt.

–  –  –

De rivieren nemen het onder hun hoede.
Is er soms liefde tussen de kracht van de boom en die van het water.

Ze voeren het langzaam in een rustig ritme rond de grote nessen. 
Het lijkt wel een dans.

Dit zijn de dingen waarboven de sterrenhemel is gesteld:
De eenzaamheid van de doden, de moed van de jeugd en hout
dat langzaam voortglijdt op grote rivieren.

Rolf Jacobsen is in Nederland een onbekende dichter, maar in Noorwegen heel beroemd. Hij wordt daar gezien als de eerste dichter die op een moderne manier dichtte, d.w.z. in vrije verzen zonder rijm. Zijn eerste bundels waren van in de jaren ‘30. Velen volgden na de oorlog. In Nederland verschenen er enkele vertalingen in het tijdschrift Raster en één bundeltje van de hand van Amy van Marken. Zij was in Groningen hoogleraar Skandinavische letterkunde. 
De titel van het gedicht vertaald zij met hout. In de Noorse titel, tømmer, is nog het Engelse woord timber en het Nederlandse timmerhout te herkennen. In het gedicht gaat het om bomen en ook om bomen die gekapt zijn en in het water liggen. Jacobsen hield enorm van de natuur en kwam daar ook voor op. Hout is een geweldig materiaal om bv huizen, meubels, speelgoed of pollepels van te maken. Op de bomen moeten we niet alleen daarom zuinig zijn. Het is goed, zo begint het gedicht, dat er in de wereld nog hout is – een waarschuwing tegen het ongebreideld kappen van bomen en slopen van bossen. 
In andere gedichten hekelt hij het roekeloze en gevoelloze kappen van bossen met gewelddadige helse machines. Bijvoorbeeld in het gedicht Landschap met graafmachines (waar in kont niet rijmt op mondhoeken):
Ze eten mijn bos op.
Zes graafmachines kwamen om mijn bos op te eten.
God beware me, wat zien ze er uit. Koppen
zonder ogen en ogen in hun kont.
Ze zwenken met hun bekken op een lange steel
en hebben paardebloemen in hun mondhoeken.

Ik wordt vooral gegrepen door de liefdevolle beschrijving en het alomvattende van zijn ervaring, veel dieper dan een opsomming van eigenschappen en waarnemingen: Hout dat langzaam voortglijdt op grote rivieren in één rijtje met de moed van de jeugd en de eenzaamheid van de doden.

Het schilderij is van zijn landgenoot Edvard Munch (1863 – 1944). Het is alsof Jacobsen dit schilderij meeneemt in zijn