Hugo Claus’ ontdubbeling

Hugo Claus, (Brugge 5 april 1929) stierf op 19 maart 2008. Zijn ziel is er, zoals zijn bedoeling was, nog steeds, in zijn gedichten.

ONTDUBBELING

Die nacht was ik een jaar of dertig.
Die nacht opgestaan. Het regende uiteraard.
En ik werd ontdubbeling gewaar.

Mijn klef, laf ego
vastgespeld aan mijn dubbel vel
liet los, genadig, ordentelijk.

Voorspeld: kinderen (drie),
Teckels (twee), bridge, anjers,
Verzamelde Werken, testament.

Ik viel. Ik liet mij liggen.
Als een slagroomtaart in de regen.
Ontdubbeling, het is een woord
(Van in den beginne?)
als een ziel zo wrikbaar.

In 2002 werd Hugo Claus geëerd in Rotterdam bij Poetry Internatinal. Hij was toen 73 jaar oud. Ik herinner me zijn voordracht van het lange gedicht Nu nog, dat hij voordroeg in de stadsbibliotheek. Dat gedicht gaat over de liefde.
Het gedicht De Ontdubbeling gaat over een herinnering van 40 jaar terug, een nacht dat hij boven zijn lichaam uitsteeg. Een nacht waarin hij niet doodgaat, maar zich opsplitst.
Waarom het uiteraard regende die nacht? Nu nog geen idee. Maar het zou kunnen dat hij lekker warm in zijn bed lag en toen is opgestaan en dat toen zijn lichaam zich splitste van zijn geest, zijn ziel zich losmaakte van zijn lichaam. Tot toen waren lichaam en geest twee helften van één entiteit, maar nu splitsten die zich. Het kleffe en laffe ego van het materiële en dagelijkse bestaan liet los en dat was een genadige loslating op een manier die nogal fatsoenlijk was, niets verwijtbaars maar netjes en ordentelijk. Dat moest gewoon gebeuren om de ziel ruim baan te geven. 
Het wereldlijke leven bij hem omvatte, net als bij mij: kinderen, huisdieren, spelletjes, sporten, bloemen, afgeronde werken en nalatenschap. Alles precies zoals de bedoeling was en vooorspeld was. Dat alles werd losgelaten. Het viel op de grond en hij liet het liggen, ingezakt, waard voor wat het waard was. Hier vervolgens die regen van in het begin, die van de slagroomtaart niet veel overlaat. Die slagroomtaart, alleen maar overdadige buitenkant.
En dan het woord Ontdubbeling. Zoals in het begin van het gedicht (en in den beginne van het bestaan?). De ontdubbeling, die opsplitsing, die vond gewoon plaats. De ontdubbeling is als hoe het ene treinstel van het andere ontkoppeld wordt. De ontkoppeling van de ziel, die niet leidt tot de dood maar tot een meervoudig voortbestaan daarna. Het besef dat het in de liefde gaat om het extra, het zielsgeluk. Wat is de ziel, los van het lichaam: de essentie, het begin, het innerlijk, daar waar je er bent, waar het zeer doet en waar het geluk zit. Niet onwrikbaar, maar gemakkelijk aan het wankelen te brengen, wankelend dus, bewogen en beweeglijk, heftig, onstavast.

Het gedicht staat in het kleine bundeltje De ontmoeting, dat in 2002 werd uitgegeven door poetry International.
De afbeelding is een litho uit de portfolio Fuga uit 1979.