Eddy van Vliet en Alberto Giacometti

Van Eddy van Vliet (Antwerpen 1942 – Roeselare 2002) uit zijn bundel De binnenplaats, De Bezige Bij, 1990:

TEWATERLATING

Toen het gebeurde stond het vast:
hel wit geschilderd was het schip.
Op de brug de kapitein die liever tot op
de zeebodem zonk dan een eed van trouw te breken.

Een varende bioskoop. Louis Armstrong op trompet.
De matrozen in gelid op het dek.
Verbod het geheugen opgelegd om ook maar
één detail van het verbeelde te verbeteren.

Dertig jaar afstand. En nog altijd de behoefte
om, aan de hand van een man met gleufhoed op,
de kale romp te zien als een potentaat in vol ornaat,
die, met de rug naar de menigte toegekeerd,
van de Schelde de Congostroom opbaart.

Het gedicht van Eddy van Vliet doet me denken aan de beelden en tekeningen van Alberto Giacometti. Enige tijd geleden waren we bij vrienden in Bremen en bezochten daar een overzichtstentoonstelling van Giacometti in de Kunsthalle. Intieme kleine beeldjes op relatief enorme sokkels, breekbare gezichten op brede bustes en frele langgerekte figuren op uitvergrote voeten. Giacometti groeide op in Borgonovo, een dorp in de Zwitserse Alpen. In die grote sokkels, bustes en voeten verbeeldt hij de bergen waar hij zich door overweldigd voelt. Anderzijds in wat daarop staat de bescheidenheid van zijn eigen gestalte en meer in het algemeen de nietigheid van de mens in die overweldigende natuur. Zijn scheppingen waren een zoektocht naar het wezenlijke van de mens en daarmee werden ze steeds dunner en fragieler. 

Op gelijke wijze stelt Eddy van Vliet zich op als een bescheiden figuur, timide, weemoedig, soms ook teleurgesteld en chagrijnig, weinig succesvol. Hij is geen winnaar en wil dat ook niet zijn. Een beetje zoals in boeken van Remco Campert of verhalen van Simon Carmiggelt, sympathiek. Bij Eddy van Vliet gaat het niet om monumentale Alpen, maar om imponerend maatschappelijk vertoon. 
In het gedicht denkt Eddy van Vliet terug aan toen hij nog net van school kwam, een kleine jongen nog. De herinnering is uit de tijd dat de Congo tot 1960 nog een Belgische kolonie was. De man met de gleufhoed zijn modieuze vader. Mijn eigen vader had toentertijd ook zo’n gleufhoed. Ze stonden op de kade van de Schelde en zagen de tewaterlating van een groot schip. Geen spatje of vuiltje te bekennen. Alles piepfijn in orde. De matrozen stijf in het gelid. Louis Armstrong om de feestvreugde op te luisteren. De kale romp van het schip een overweldigende en opgezwollen potentaat. Alles zo strak en imposant, opdat ook 30 jaren later de herinnering eraan nog precies even groots zou zijn. 

Onderhuids kritiek op dit opgeblazen en onbescheiden gedoe, op de koloniale houding waarmee de Belgen de Kongo overnamen. Het schip vol kolonisten zou daar op koersen en de menigte op de Antwerpse kade achterlaten.

Eddy van Vliet is evenals Giacometti onder de indruk, maar bij Van Vliet ook maatschappijkritiek en afkeer van de gezwollen ego’s, die denken dat ze de hele wereld mogen bezitten.

De  ene foto is uit het kunstblad Derrière le Miroir no. 65. De andere foto opgediept van het internet.