Van Hans van de Waarsenburg (Helmond (1943) – Maastricht (2015)). Uit zijn bundel Waar de wegen waren, wereldbibliotheek, 2003.
DE INTREDE VAN BORIS
Op Oud Caberg slaat hij water uit de stenen
En wiebelt Kaap Verdiaans in zijn bol-
Kontige luier. Even is Cesaria Evora,
De dichtbije, de zeemoeder, waarvoor hij
Wil dansen en dan, plots, los van alles:
De eerste passen gezet, verder en verder en
Nooit meer terug, Oud Amsterdammertje.
Je taal tafelt tussen de heuvels in bloemen-
Maat en is blauw als je ogen. Land golft
Rondom als zuurkool of paling in het groen.
En daarachter het speelwater van de verre,
Lichtende zee. Zandkastelen in wolken
En jagende luchten die druppelen. Regen
Op je gezicht en het zoetwater van de Maas.
Zo draai je langzaam in de molen van je
Leven en nooit meer, nooit meer terug.

Bij het gedicht moet ik denken aan onze Flynn, mijn kleinzoon, nu 4 jaar oud. Steeds groter wordt hij al. Het gedicht schreef Hans van de Waarsenburg denk ik over zijn zoontje of was het een neefje? Doet er hier niet toe. Er wordt een jongetje geboren en hij is vol van dat jochie, dat als Mozes water uit de rots slaat en toekomst brengt.
Ze wonen in Oud Caberg, ten noorden van Maastricht. Eerst kan het ventje nog niet lopen en wiebelt in zijn bolkontige luier alsof hij danst op de muziek van de Kaap Verdiaanse zangeres, de zeemoeder. Voor Van de Waarsenburg is de zee energie en vitaliteit.
Langzaam wordt het ventje groter, zet plotseling zijn eerste stapjes, kruipen is voorgoed verleden tijd.
Natuurlijk leert hij zinnetjes zeggen, gaat praten, vindt zijn eerste woordjes tussen de heuvels van Zuid Limburg, op de maat van de bloemen. Zo blauw als zijn ogen zijn, zo groen de Limburgse heuvels die golven, naar believen als palingen of zuurkool.
En altijd weer de zee, het speelwater, of het nu de Maas, een vijver of de verre Noordzee is, er wordt in gespeeld, gebadderd, gespartelt en op het aanliggende zand of strand worden zandkastelen gebouwd. Regen verfrist, zoals ook het zoetwater van de Maas. Zo wordt dat kleine jongetje, onze Flynn ook, langzaam groot. De onschuld is verbluffend.
De kunst is om het niet zoetsappig, sentimenteel of kitcherig te maken. Dat is Hans van de Waarsenburg gelukt.
Het Oud Amsterdammertje in het gedicht lijkt op een dwaling.
Terzijde: Een dwaling was bij ons vroeger in het tulpenveld van mijn vader een rode tulp in een veld gele of een paarse in een veld oranje tulpen. Die dwaling was er per ongeluk tussengekomen in de zomer ervoor tijdens het sorteren of pellen van de tulpen in de schuur. Bij ons werd dat ook wel een Harrie genoemd. Een beetje heeft dat mijn identiteit bepaald.
Of zou Oud Amsterdammertje misschien verwijzen naar de geur, een beetje ranzig, van een Old Amsterdammer kaasje, de geur van een poepje in de luier?
De afbeelding is van een Karel Appel