Paul Snoek (Sint-Niklaas 1933 – Tielt 1981), dichter maar ook talent voor schilderen. Van hem uit de bundel Hercules uit 1960 een gedicht en daarbij een schilderij van hem.
Mooi liedje voor een dondergodin
Languit verlangend ligt zij in een gladde galei.
Met tussenpozen streelt zij een zwarte druif
of zoent een boef heel roekeloos tussen de lippen.
Niemand weet dat ze mooi is, want zij is blind
en hees als een stil eiland onder de wind
en wie haar ziet, wat kan hij anders doen
dan trillend aarzelen tussen zon en maan :
de zon is haar geliefde slaaf,
de maan haar vroegere ondergang.
De vissen roeren haar lange slaap
en de vogels maken haar borsten bang.
Zou ik haar verleiden met een ijsje? Neen.
Ik ga leren vlug vliegen en knap zingen
en tussen de wolken met heel sterke zijde
een lege, eventjes bewegende schommel
hangen voor haar en licht verspreiden
met mijn allerzachtste nachtster.
Zo, dat ik haar knieën zie glimmen
als een glimlachend meisje.
ik doe het.

Ik weet niet of het over een geliefde of een muze gaat, over liefde of inspiratie, allicht allebei. Hij zal haar met een mooi liedje te verleiden. Zou die godin het waarderen? Geen platgetreden paden gaat hij, geen clichés. De liefde leeft van rijm, alliteraties en spinnende assonanties.
Zoals Hercules het onmogelijke kon, verenigt de almachtige dichter tegenpolen: zon en maan, licht en donker, vogels en vissen, blind en zicht, hees en stil.
Wie is die donderende godin?
Niet zomaar eentje. Eigenlijk is Zeus, de bliksemslingeraar, heerser op de Olympus, de dondergod. Bij Snoek wordt het mannelijke van de heerser vrouwelijk, hij wordt een hermafrodiete godin, zoals hij zelf een vriendelijke en verliefde dichteres wordt. Zij zal wellicht Dione zijn, een Titane, de vrouwelijke Zeus, de zij-Zeus, die Hercules de bliksem schonk om de cyclopen te verslaan.
Ze is ook een blinde godin, onzichtbaar mooi, heesstil. Ze inspireert, blaast hem al donderend liefde en inspiratie in. Ze is de muze van de poëzie en de muziek, die ook de muze van de blinde liefde is.
Deinend op het water ligt zij op een romeins schip zich af en toe tegoed te doen aan zoete zwarte druiven en zoent de boeven die het galeischip roeien.
Water wiegt en bevrijdt. Aan het begin van de bundel zegt Snoek: “Een zwemmer is een ruiter. Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water, is liefhebben met elke bruikbare porie, is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.”
Paul Snoek voelt zich oppergoed. Hij is euforisch en krijgt kosmische dimensies, voelt zich zon en maan en sterren tegelijkertijd. Als zon volgt hij haar slaafs en als maan gaat hij onder in de levenscheppende zee, waar de vissen de dromen van die godin inzwemmen wanneer ze slaapt. Hij is de hemel vol sterren, de allesomvattende kosmos. Hij projecteert de lef die hij in zijn eigen borst voelr op de borsten van zijn bangborstige dondergodin.
De dichter verleidt haar niet met een lekkernij, maar pakt het grootser aan. Hij leert vliegen en zingen, hij bevestigt voor haar een schommel tussen de wolken en met zijn nachtster licht hij haar bij. Op een manier die tederzacht en vurig mild is laat hij alles glimmen. Bevlogen volgt hij zijn aandrift, verzamelt moed en doet het, de herculische lefgozer, charmante stuntman.