J.H. Leopold (‘s Hertogenbosch 1865 – Rotterdam 1925) schreef het volgende gedicht in het jaar 1897. Het is opgenomen in zijn verzameld werk Verzen, een uitgave van Brusse/ Van Oorschot.
SCHEPEN liggen er; waarom zoo…
het lieve water leed het zoo.
Vele zeilen zijn uitgehangen
breede, sleepende. Huizengangen
stonden; zacht getreden nu
schromelijk, want het was alles luw
vervuld; in de heldere streken
van den witte hemel geleken
wenschen te wezen, mijn zinnen dreven
er in, in een zachte trek opgeheven.
Droomen bleef over: was het voor dezen
al zoo, was dit het eerste wezen?
Als het gedicht begint heeft de dichter nog geen woorden voor wat hij zou willen zeggen: waarom zoo …. Het enige dat hij kan zeggen is dat het water het zo leed, zo legde. En de zeilen hingen er werkeloos en slap uitgehangen te drogen. Huizen stonden er in lange smalle gangen. Daar liep de dichter langs, zacht en stil, uit de wind, in de late zoele middag. Hij, de dichter, de man, de mens, loopt daar in de Rotterdamse haven. Ziet de schepen er liggen op het water, de zeilen slap hangen en de huizen staan er in een gang. Daar loopt hij in een vage, halfbewuste toestand wat voor zich weg te overdenken. Vermoeid loopt hij daar, de jonge onderwijzer klassieke talen, net uit school vandaan. Die school was het Erasmiaans gymnasium, toentertijd aan de Coolsingel. Daar heeft hij een lange dag geconcentreerd en gericht les heeft gegeven. Maar nu, aan het eind van de middag, is hij zonder heldere gedachten. Daar kuiert hij over de Willemskade, langs de Maas.Helder was wel de lucht, fris, klaarhelder en wit als blank papier dat vraagt om beschreven te worden. Zinnen kwamen dan ook langzaam naar boven, werden bij hem opgewekt.Zoals de schepen dreven zij, maar dit bovendrijven was met betekenis. Langzaam komen er in zijn wolkenbrein wat lijnen, vormen zich duidelijker gedachten.32 jaar oud is hij pas, de eeuw loopt ten einde, een nieuwe staat op het punt te beginnen. De klare leegte van de lucht stimuleert hem in zijn streven woorden te vinden die hem en ook zijn omgeving zin geven. Even kwamen ze bovendrijven, en toen ontglipten die hem weer.Filosofisch dromend vraagt de dichter zich af of deze situatie toch niet pas ontstaat door de woorden die de situatie duiden. Iets hogers, een andere werkelijkheid dan hij waarneemt en die hij in zijn taal wellicht kan bereiken.Bestond de situatie er al voor de woorden, of ontstaat zij pas als er tekst en context geformuleerd is? Zijn het niet de langzaam opkomende en zich uitkristaliserende gedachten, die betekenis geven aan wat we meemaken, waarnemen, vanuit een mijmerende staat langzaam bewust worden? Zo formuleert de dichter het eind van het gedicht: was het voor dezen al zoo, is dit het begin van hun zijn, hun wezen, hun esentie. En wat doen die haven, die schepen, die zeilen en huizen? Welke betekenis krijgen zij: dat ze er zijn, dat het water het zo heeft bepaald dat die schepen daar zo liggen. De nutteloosheid ervan, de vermoeidheid, de twijfel over het bestaan, het fin-de-siecle gevoel, de tijdelijkheid en misschien toch een nieuw begin, dat allemaal komt eventueel pas met de woorden.
De foto is van de Willemskade zoals die omstreeks 1900 was. De foto bevindt zich in het Stadsarchief Rotterdam.