Benno Barnard

Van Benno Bernard (Amsterdam, 1954) staat het volgende gedicht in een boek ter gelegenheid van het 25 jarige bestaan in 2003 van boekhandel Tribune in Maastricht.

Visser, 50 v. Chr.

Wat deed ik anders aan de rivier
dan fuiken uitzetten, luisteren naar oud
bloeddoorlopen verhalen, grommende 
in haar binnendringen en een gouden 
zoon voor na mij maken?

Goed, dat was vroeger.
Maar het was deze oever, waar het gebeurde
dat ik bij maanlicht, onder het knopen
van netten, tegen het bosrijke donker daarginder
Iets wonderlijks mompelde,

iets dat ik zelf niet begreep –
over een roerdomp bijvoorbeeld, en niet over helden.
Wat was het? Waar kwam het vandaan? En waarom 
zocht het mijn mond, de mond van een man
in een simpele boot

op de Schelde?
Ik luisterde naar onze exegeten, maar zonder te weten
of ze de drassige aarde wel konden verklaren.
Ik geloofde nooit dat we ooit kathedralen en zo 
zouden gaan bouwen.

Begrijpt u me rustig verkeerd.
In een bocht van de grote rivier
heb ik een zoon mogen maken
en hem in het dampende zonlicht der vroegte
mijn knopen geleerd.

Hier is God de Vader zelf aan het woord. Het is in het jaar 50 voor zijn zoon Christus. Hij is een simpele visser die netten zit te boeten aan de rietrijke oevers van De Schelde, dichtbij Antwerpen. Tijdens het uitzetten van de fuiken luisterde hij naar oude verhalen, meestal over oorlogen en geweld. Op diezelfde plek zal hij later diep uit haar, uit moeder aarde? uit de rivier? bij een vrouw? een zoon opwekken. 
Daar zit hij vaak en daar zat hij ook op een bepaald moment wat voor zich uit te mompelen, iets wonderlijks was het, wat hij zich inbeeldde en wat hij zelf ook niet begreep. 
Toen hoorde hij de roerdomp geheimzinnig hoempen. Gecamoufleerd in het moeras tussen het riet verborgen is de mysterieuze vogel, beslist geen duif, maar roerdomp van de vrede. Die roerdomp zou dan de Heilige Geest moeten zijn. Zo is er de drie-eenheid.
Hij kent van eerder allerlei verhalen en mythes, over goden en koningen en hun zonen, maar nu denkt hij niet aan die helden. Eerder is het raadselachtig wat zijn gemompel hem influistert. Hij is een onzekere God, die zelf niet weet waar hij aan toe is, waarom hij, simpele man in een boot, zonodig God de Vader moet zijn.
Ook de schriftgeleerde theologen, later, zouden in het duister tasten en de mysteries niet kunnen oplossen over het ontstaan van de wereld. 
En hij kon het zich gewoon niet voorstellen dat er voor hem en zijn zoon later zulke mooie kathedralen gebouwd zouden gaan worden, hem kwa pracht en praal niet passend.
Hij is een onzekere God, die het niet erg vindt dat de mensen hem ook niet goed begrijpen. Hij kreeg een zoon die op hem leek en heeft hem geleerd wat hijzelf ooit heeft geleerd: knopen, verbinden. Over hem geen heroïsche verhalen en wonderen.

De drie-eenheid van het gedicht is ook te vinden in de afbeeldingen van schilderijen van Kandinsky. Zoals de drie basiskleuren rood, blauw en geel zijn, zo zijn de drie basisvormen bij Wassily Kandinsky de cirkel, de driehoek en het vierkant. Ze vormen een drie-eenheid van fundamentele elementen die hij in zijn abstracte kunst een spirituele betekenis gaf.