Antie Krog

Uit de bundel Plundering van Antjie Krog (1952,  Moqhaka Zuid-Afrika), vertaald uit het Afrikaans door Robert Dorsman en Jan van der Haar. De bundel is tweetalig uitgegeven in 2023. 

de dakloze in Upper Mill Street

al maanden verzamelt hij stukken hout
en bergt ze in de boom waaronder hij slaapt

dwalend door de straten op zoek naar eten
blijft zijn oog speuren naar hout
en vindt hij stukken afval, resten van kratten
gegroefd geribt gevleugeld gekarteld
mossige steunen, resten van bouwplaatsen
naamborden van industrieterreinen

op een ochtend – hij zal het nooit vergeten
de godganse dag spagaat hij maar zo
en struint in de struwelen van de stad
zijn hoofd wazig met zijn verschroeide geheugen
en ineens ligt daar – hij verstart bij de aanblik
alsof het uit zijn wezen knoest –
bijna afgevoerd in de goot:
O, bloemkolf en tuil
apart, een pruimpaarse bundel
als hij hem opraapt
en een beetje met zijn vingers schoonveegt, begint het te glanzen
en ineens begint dit stuk hout
andere stukken aan te trekken

de grond gloeit, de aarde ploft
hij barst uit in een lading lof voor planken
begint lustig te flansen en te flooien
want begeerte welt op uit het diepst van zijn spieren
vanuit zijn kraakbeen en ruwdorstige wilde haren
alles magisch getand bewimperd gegolfd
beklierd en borstelig behaard
hij barst uit zijn schors en spreid zijn takken
zijn doden schuiven in hem aan
zingen met hun holten in zijn knieën
zijn vleugels van tuig en betekenis vervacht

hij gaat wijdbeens op de stoep zitten
onder de dennenboom waar hij altijd zit
en gaat bezeten aan de slag
in de kleefstof ruikt hij wond en riet
en beemd uit het drijfhout
het sprokkelhout gezaagd gesneden gelijmd
en als hij begint te poetsen
verschijnt daar letterlijk
uit het heldere ondiep van zijn schoot een leeuw
als ruig kopergoud rukken zijn ogen aan de koplampen
hij probeert hem nog aan zijn manen vast te houden
maar de leeuw maakt zich bedaard los
om met grote, zachte poten rustig aan de overkant
tussen het vuilnis van de stad te verdwijnen

Upper Mill Street is een straat in het centrum van Kaapstad. Wat maakt het voor een dakloze uit of hij dak- en thuisloos is in Amsterdam, San Francisco, Leiden of Kaapstad? 
Gefrustreerd en boos leeft hij, maar woont nergens, slaapt in een park onder een brug of onder een boom. Hij weet wrs. waar er enig eten te vinden is, waar het warm is of waar koelte te vinden. Dwangmatigheid is hem niet vreemd en zo verzamelt hij wat hem van pas kan komen, winkelwagentjes of shoppingbags vol.
En deze verzamelt afvalhout, allerlei. Zijn ogen steeds gericht op de goot. 
En dan op een ochtend, op één van zijn zwerftochten door de stad, wordt hij verrast door enkele bijzondere bloemen, pruimpaars, die als hout in de goot liggen, zoals hij daar zelf ook min of meer symbolisch in ligt. Hij raapt het op, en als hij het aait en oppoetst gaat het schijnen. Samen met zijn verzameling groeit het tot iets moois. Zoals hij zelf in zijn fantasie en zijn verlangen kan opbloeien, wil opbloeien, mag opbloeien. Hij is als dat stuk bloemhout. Zijn lichaam wordt hem bewust en geliefd, zijn schamele situatie ontkennend. Hij barst uit zijn schors, geliefde doden leven in hem op, er komt iets zachts over hem.
Dat inspireert hem om het hout dat hij verzamelde te bewerken, te liefkozen en dan ontstaat er een leeuw uit zijn handen, iets machtigs. Hij kan zijn ogen niet geloven. Is hij verblind?
Even is hij een god in het diepst van zijn gedachten, weet hij zich geschapen naar gods beeld en gelijkenis. Zelfs als de euforie  – wellicht – getriggerd is door een O pruimpaarse dodelijke GHB pil. Een anticlimax echter aan het eind.

De Afrikaanse versie is als volgt:

die straatslaper in Upper Millstraat

vir maande maak hy stukke hout bymekaar
en bêre dit in die boom waaronder hy slaap

dwalend deur die strate op soek na kos
bly sy oog speurend na hout
en vind hy afvalstukke, kratoorblyfsels
gegroefd geribd gevlerk gekarteld
vlokkige stutte, bouperseelwrakke
industriële sites-naamborde

een oggend – hy sal dit nooit vergeet nie
die godganse dag spagaat hy maar so
en struin in die struwele van die stad
sy kop wollerig in sy verskroeide geheue
en skielik lê daar – hy verstar toe hy dit sien
      asof dit uit sy wese knoets –
amper weggevoer deur die afvalsloot:
o, bloeikolf en tuil
eenkant, ‘n pruimpers bundel
toe hy dit optel
en bietje met die vinger skoonvee, glans dit
en skielik tussen die ander hout

begin dit sekere stukke bymekaartrek

die grond gloei, die aarde tiep
hy bars uit ‘n loflading vir plank
begin lustig flink en flooi
want begeerte wel op uit sy spierdieptes
vanuit sy kraakbeen en ru-dorstige wilde hare
alles magies getand gewinperd gegolfd
beklier en borstelig-behaard
hy bars op uit sy skors en sprei sy takke
sy dooies skuif in hom aan
sing met hul holtes in sy knieë
sy vlerke van tuig en betekenis gevag

hy gaan wydsbeen op die sypaadjie sit
onder die denneboom waar hy altyd sit
en gaan besete aan die werk
in die kleefstof ruik hy wond en riet
en beemd uit die dryfhout
die optelhout gesaag gesny gegom
en toe hy begin poleer
verskyn daar letterlik
uit heldere ondiepte van sy skoot ‘n leeu
in ruie kopergoud ruk sy oë aan die motorligte
hy probeer hom nog aan die maanhare vasthou
maar die leeu maak hom bedaard los
om met groot, sagte pote rustig aan die oorkant
tussen vullis van die stad te  verdwyn

De afbeelding is van Marlene Dumas. “Everybody is some mothers’ child”
Voor meer blogs over gedichten en een winkeltje:  www.igpoezieb.nl