Uit Psalmen voor een onbegrijpelijk bestaan, een klein boekje, uitgegeven door boekhandel Nawijn & Polak uit Apeldoorn in 1997, ter gelegenheid van hun koperen jubileum. Ze bestaan nog steeds, al ruim hun zilveren jubileum voorbij.
Psalm voor de volgende nacht
Systeem, de weelde van uw nacht
zo zwaar als pas gebruikt fluweel
dat ik beschamend met u deel
schijnt mij nu toe alsof Gij wacht.
Want was ik nachtelijker gekleurd
vanuit een duistere moederschoot
zag ik U dan niet vóór de dood
die donker binnen mij gebeurt?
Herbruin mij als uw zwarte slaaf
stijf van herinneringen
een die geen slaag of dom gedraaf
geen vloek meer door laat dringen.
Dan lig ik klaar met klamme handen
stervend alsof ik echt besta
en zwart, zwart op wat oogwit na
en jong gebroken tanden.
Of was het, dat steenhard licht misschien
waarheen ik schreeuwend werd geboren,
waardoor ik niet meer kon horen
en Uw gestalte niet meer zien?
Keer ik straks terug voorbij dat punt
en schuw opnieuw het groots gebrek
Wdat mij dit leven heeft gegund
zoen dan, met lippen als Gij kunt,
of als een warme zonneplek
haar donkere handen op mijn wit
weg vel zo lief als die
zowel als dit.
Is Alles een systeem, zou ik op dit moment aan Gerard de Zeeuw, systeem-geleerde en lang geleden mijn promotor, willen vragen.
Leo Vroman daarover: Het Systeem is uitdagend, donker, onkenbaar en bewonderd. Als pas gebruikt fluweel: enerzijds zacht, zwaar, chic en koel, anderzijds nog warm en klam nog van degene die het net heeft afgelegd. Het wacht op de dichter om ook in het donker te komen, het donker waar je van voor je geboorte ook vandaan komt. Sterven is alsof hij dan pas echt bestaat, het aardse gedoe en gevloek achter zich latend. Geboren worden in het licht maakte juist dat hij niet meer bij het Systeem kon komen.
Terwijl hij slaapt, geeft de nacht, die donker en koud is, alles altijd gewoon door aan de volgende dag. De nacht weet alles van het Systeem, terwijl de sterveling, al is die wakker en licht het licht hem bij, verwonderd blijft en veel niet snapt. Het Systeem is raadselachtig. Al kan de sterveling alles waarnemen en bij het volle verstand proberen te begrijpen, toch blijft de vorser in het ongewissen.
Zo vraagt hij zich af of hij niet liever ook donker zou zijn, in het donker zoals in de moederschoot, of in het donker na zijn dood.
Het Systeem is vergelijkbaar met God.
De de dood is voor Vroman niet het einde. Als hij dood is, leidt dat tot de terugkeer in het Systeem, dat hem dan zal omarmen. Het is de toestand waarin hij “dat groots gebrek” uit de weg gaat, het niet-weten accepteert, deel wordt van het wonderlijke alles en slechts vraagt om die tedere omarming van de vrouwelijke donkerte. Die als een warme zon alles zoent en ook dus hem, die inmiddels geen wit vel meer heeft, zonder onderscheid
zo lief als die
zowel als dit.
Het gedicht doet denken aan een frase uit Psalm 19 waarin David vol bewondering is over Gods’ werk en Hem looft over de schepping. In de vierde strofe staat dat de nacht de kennis doorgeeft. Vroman looft op vergelijkbare wijze het Systeem dat weliswaar ondoorgrondelijk is, maar ook lief. Hier een deel van psalm 19:
De hemel vertelt Gods eer
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
De tekst van Psalm 19 is uit de Herziene Statenvertaling. Het gedicht van Vroman staat ook in zijn bundel De roomborst van Klaas Vaak (1997). De afbeelding is van een schilderij van Paul Klee, getiteld blauwe nacht en is te zien in het Kunstmuseum van Basel.