Judith Herzberg en Saul Steinberg

Een lentegedicht van Judith Herzberg (geboren in 1934) uit de bundel Zoals, bij een prent met de totel maart – april van Saul Steinberg( 1914-1999). Joodse achtergrond, ervaringen van WOII en antifascisme verbinden beide.

Forsythia

Het gillend geel dat over 
aarzelingen heen een keel 
opzet en voor het lover uit 
al alles over zomer heeft geschreeuwd! 
Waar is het dungelaagde aquarel
van het voorjaar
dat waas waar wat onzeker 
schemert achter trage 
wintertakken de schuchterdere tover-hazelaar.

In de prent fietst het stripmannetje prustig van maart naar april, een vogeltje hier en een vogeltje daar. Het kleine beetje ironie, niet pretentieus, wel lieflijk, zit in het onuitgesproken “Kijk mij eens lekker fietsen. Niks aan de hand.” En geaquarelleerd, zoals Judith het graag meemaakt. Als de lente mag staan voor een nieuw begin, dan toch vooral op die manier.
Saul Steinberg werd geboren in Roemenië, ging architectuur studeren in Milaan en begon in de jaren ‘30 satirische cartoons te publiceren in Italië. In 1940 vluchtte hij naar Amerika vanwege anti-Joodse wetten die in het fascistische Italië werden ingevoerd. Zijn cartoons in The New Yorker bespotten vaak de (amerikaanse) grootspraak en dikdoenerij. 
Maart doet wat ie wil en april, die roert zijn staart. In het gedicht is er een boodschap. Het gillen overschreeuwt de feiten, maar kan de onzekerheid uiteindelijk toch niet verhullen. Een oud inzicht is dat er, zodra de forsythia bloeit, nog drie sneeuwbuien volgen voordat de winter echt voorbij is. In de werkelijkheid is er een waas waardoorheen iets langzaam, onzeker en voorzichtig heenschijnt en die, dat is wel zeker, uiteindelijk lente en zomer brengt, maar schoorvoetend, vol aarzelingen. Schuchterder, noemt Judith Herzberg dat, en ik hoor daar ook het woordje teder in. Schuchter en teder, komt de warmte achter de wintertakken te voorschijn. 
Een forsythia hebben wij ook in onze tuin in Jisp staan, al kwijnt die wat. Na de bloei moet ie gelijk gesnoeid worden, maar dat hebben we nooit gedaan.
Hoe subtiel is dan de tover-hazelaar. Die hazelaar hebben wij niet, maar die staat bij de buren. Wel hebben wij de lichtgroene doorzichtige bloemetjes van de iep die bij ons in Amsterdam bijna de kamer in groeit. Straks waaien de bloemblaadjes als sneeuw de sloot in, voordat de boom bladeren krijgt.