Hans Kloos op het Van Oldenbarneveldtplein

 Hans Kloos (1960) stadsdichter in Amsterdam. Uit zijn bundel Westerparkse gedichten, in 1910 uitgegeven door uitgeverij Contrabas:

VAN OLDENBARNEVELDTPLEIN

tussen autogeraas aan de ene
en tramgerinkel aan de andere kant
heerst tegelhitte, platanenschaduw

ik ben gerust en vastbesloten

een stuiterende bal, speelplaatskreten
tringtring scholierenfietsen

maar ik kan niet begrijpen

uit een gymnasiumlokaal
klinkt een liedje van Jacques Brel
rosa rosa rosae rosae rosa
rosae rosae rosarum rosis rosis

waarom ik moet sterven

bevallig bloot
net niet levensgroot, in brons gegoten

maar ik wens dat mijn bloed

de deur van de schoonheidssalon
knalt dicht
achter een geblondeerde klant

een einde maakt

kijk, mamma!
midden op het plein
veegt een meisje voorzichtig

aan tweedracht in het land

met haar hand het zand
van het schervenportret

een geboemde meneer!

DIe geboemde meneer was dus Johan van Oldenbarneveldt. De dichtklappende deur van de kapperszaak klinkt als het neerkomende zwaard dat J. v. O. onthoofdde. Dat was op 13 mei 1619. J. v. O. was raadpensionaris van Holland en bestuurder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tijdens de 80 jarige oorlog steunde hij de opstand tegen de Spanjaarden, eerst aan de zijde van Willem van Oranje, en later, nadat die was vermoord, aan de zijde van Maurits. 
Met Maurits ontstonden echter onenigheden. Er waren felle religieuze twisten tussen de remonstranten en contraremonstranten en er waren onenigheden tussen de verrschillende steden en gewesten over de belastingen die geheven werden om de oorlog met de Spanjaarden te kunnen betalen. Uiteindelijk ging de ruzie over de oorlog zelf. J. v. O. wilde een akkoord met Philips II en een einde aan de oorlog. Maurits wilde doorvechten en beschuldigde J. v. O. ervan samen te heulen met de Spanjaarden en dus hoogverraad te plegen. 
De woorden die J. v. O.  sprak na zijn veroordeling zijn in het gedicht van Hans Kloos opgenomen en zijn de cursief geschreven elliptische zinnetjes tussen de coupletten. Het lijken wel reflecties op de waarnemingen op het plein.
De foto’s zijn van het Van Oldenbarneveldtplein in Amsterdam Oud-West. 
Op pleinen gebeurt altijd wel wat. J. v. O. werd op een plein onthoofd. Dat was in Den Ηaag op het Binnenhof. Al in het antieke Athene was het plein de plek om politiek te bedrijven. Daar op het plein (de agora) kwamen de burgers bijeen om met elkaar te delibereren en beslissingen te nemen. Aan de rand van het plein stond de stoa, de school waar men leerde debatteren. In de verte de Olympus, de berg vanwaar de onsterfelijke goden toekeken op het gedoe van de mensen. 
Ons Van Oldenbarneveldtplein is een koel betegeld schoolplein voor het naar het Descartes vernoemde Cartesius lyceum. Inderdaad staan er platanen en fietsenrekken.  De schoonheidssalon heb ik er niet gezien.
Het plein is omringd met anderen die in de situatie toen een rol speelden. Aan de ene kant het verkeer op de Mauritskade. Maurits, die  J. v. O. aanklaagde. Aan de andere kant de trams op de Frederik Hendrikstraat. Frederik Hendrik die de opvolger was van Maurits, en die het einde van de 80 jarige oorlog nog net niet meemaakte. Even verder het Hugo de Grootplein. Hugo de Groot, medestander van J. v. O., opgesloten in slot Loevestein waaruit hij in een boekenkist wist te ontsnappen. Op het plein staat een beeld van een vrouwfiguur, gemaakt door de beeldhouwster Else Ringnalda. Een borstbeeld van Johan staat er niet, dus het kleine meisje zal wel een ander type hebben gespot bij de zandbak. Was de geboemde meneer dan misschien die geblondeerde meneer uit de schoonheidssalon? Of misschien de dichter zelf?